Reserveer

Wat is Fado?

Fado is een volkse, stedelijke liedvorm, ontstaan in de eerste helft van de negentiende eeuw in Lissabon, Portugal. De meeste mensen denken bij Fado aan iemand die met veel gevoel zingt, begeleid door een Portugese gitaar en een klassieke gitaar. Zodra de gitaren inzetten, wordt het in de zaal een beetje plechtig en gebeurt er iets bijzonders, iets wat je alleen voelt als je zelf tegenover de Fadozangers zit. Sinds 2011 is de Fado door UNESCO erkend als immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid.

Fadozangeres met haar hand op de borst en de ogen dicht; naast haar speelt een gitarist Portugese gitaar, in onze zaal in de Baixa, Lissabon

Waar het woord Fado vandaan komt

Het woord komt van het Latijnse fatum, het lot. In het Portugees betekent het nog altijd wat het leven voor ieder van ons in petto heeft.

Toch was Fado eerst de naam van een dans, en pas later van een lied. In de jaren 1820 beschreven reizigers in Rio de Janeiro een dans die Fado heette, met vier tot zestien dansers. Maar de Fado van Lissabon wordt gezongen, en niemand danst erop.

Jonge zangeres met lang bruin haar en een getatoeëerde arm zingt met open handen onder het stenen gewelf, Fado bij de Sé in Lissabon

Hoe de Fado ter wereld kwam

Als lied duikt de Fado op in het Lissabon van de jaren 1830, in de tavernes en goedkope eethuizen bij de dokken. Hoe hij daar terechtkwam, weet niemand precies. Er is zelfs een lied waarin de Fado zelf vertelt dat hij zijn ouders nooit heeft gekend en geen geboorteakte heeft. Er doen twee verhalen de ronde.

Het eerste begint in Brazilië, waar de lundum klonk, een Afro-Braziliaanse dans, en de modinha, een sentimenteel lied. In 1807 vluchtte het Portugese hof voor Napoleon naar Brazilië. Toen het in 1821 terugkeerde, nam het die muziek mee uit de salons en van de straat, en met het hof kwamen ook de matrozen en soldaten van de overtocht. In de arme wijken van Lissabon, zo gaat het verhaal, groeide ze uit tot iets nieuws.

Het tweede verhaal speelt in Portugal zelf. Met de industriële revolutie trokken mensen van het platteland naar de steden. Uit de Alentejo, de Beiras en Trás-os-Montes kwamen ze naar Lissabon, en ze namen de liederen van hun streek mee. In deze versie ontstond de Fado toen al die liederen elkaar tegenkwamen in dezelfde paar straten.

Fadozangeres zingt met gesloten ogen, de handpalmen tegen elkaar, in onze zaal in de Baixa in Lissabon

De eerste podia en de eerste Fadozangeres

In de eerste decennia verkocht niemand kaartjes voor de Fado. Zijn podia waren de straat, de taverne en de stierenarena, in de beruchte buurten van Lissabon, waar fatsoenlijke mensen met een boog omheen liepen.

In dat Lissabon leefde Maria Severa, een prostituee uit de Mouraria over wier stem in de stad werd gepraat. Haar minnaar was de graaf van Vimioso. Op een avond in 1840 nam hij vrienden die net uit de opera kwamen mee naar huis, en daar zong de Severa voor hen.

Voor velen van hen was het de eerste Fado van hun leven. De Severa stierf in 1846 aan tuberculose, zesentwintig jaar oud. In de Fado leeft ze voort als de eerste Fadozangeres, en sindsdien wordt er over haar gezongen.

Chorai, fadistas, choraiQue a Severa já morreuFadistas como a SeveraNunca o Fado conheceu

Ween, Fadozangers, ween:de Severa is gestorven.Fadozangers als de Severaheeft de Fado nooit gekend.

João Linhares Barbosa
Maria Severa, de eerste beroemde Fadozangeres van Lissabon, op een oude inkttekening: en profil, het haar opgestoken, een hanger om de hals
Maria Severa

Theater, radio en het Fadohuis

Het verhaal van de Severa kwam op het toneel, en de Fado ging mee. Daarna volgden de radio en de grammofoonplaat, en zo kwam de Fado bij de mensen thuis. In de jaren twintig zongen betaalde zangers in cafés, in danszalen en in de pauzes in het theater.

In 1926 bracht een militaire staatsgreep een dictatuur aan de macht. Een jaar later kwam er een wet die alle podia van het land aan regels bond. Elke tekst moest vóór het zingen naar de censor, die hem goedkeurde of met blauw potlood doorstreepte, en aan geïmproviseerde verzen kwam een eind. Dezelfde wet maakte een beroepskaart verplicht, en zo werd de Fado in elk geval een vak.

In diezelfde jaren ontstond het Fadohuis, de casa de Fado: een restaurant dat voor de Fado was ingericht, met eigen zangers. Wie aan de beurt was, stond op, zong drie of vier Fado’s en ging weer zitten, terwijl aan de tafels werd opgediend. Er kwamen ook dichters, zoals João Linhares Barbosa, die zijn teksten op de papieren tafelkleedjes schreef terwijl er gezongen werd.

Vier Fadomusici samen onder de stenen boog, deels zittend, deels staand: twee zangers en twee gitaristen, in onze zaal bij de Sé, Lissabon

De instrumenten van de Fado

Op de meeste Fadoconcerten hoor je twee instrumenten, en ze spelen allebei voor wie er zingt.

De klassieke gitaar houdt het ritme, de baslijn en de harmonie vast. Zo legt ze het fundament waarop de Fadozanger en de gitarist iets eigens kunnen maken.

De Portugese gitaar is peervormig en heeft twaalf stalen snaren. Ze speelt de melodische intro’s en gaat het gesprek aan met wie zingt: aan het eind van een vers laat de zanger even ruimte, en de gitaar vult die met een eigen frase. Soms ondersteunt ze ook de harmonie en het ritme.

Een gitarist zit vooraan met de klassieke gitaar, een tweede staat achter hem met de Portugese, tegen de oude steen van onze Fadozaal bij de Sé in Lissabon
Vooraan de klassieke gitaar, achteraan de Portugese gitaar

Wat een goede Fadozanger doet

Een Fadomelodie is kort en komt bij elk kwatrijn terug. Zing je haar steeds precies hetzelfde, dan is ze bij het derde kwatrijn versleten. Een goede Fadozanger verandert de melodie dus terwijl hij zingt, ten dienste van de woorden. Dat heet estilar: de melodie een eigen vorm geven. Van wie dat goed kan, zeggen kenners dat hij estila, en dat is een groot compliment.

Bij geen melodie is dat moeilijker dan bij de Fado Menor. Hij heeft maar twee akkoorden, en een zanger kan zich nergens achter verschuilen. In 1959 hield Café Luso, een Fadohuis in Lissabon, een wedstrijd om de titel Koning van de Fado Menor. António Rocha won, en zo heet hij nog altijd.

Zanger met baard in een roestkleurig overhemd zingt Fado met gesloten ogen en uitgestrekte handen, in de Baixa in Lissabon

Alfredo Marceneiro

Wie dat het verst doorvoerde, was Alfredo Marceneiro. Hij noemde zichzelf een estilista, en niets meer dan dat. Eigenlijk heette hij Alfredo Duarte, en hij was meubelmaker van beroep, in het Portugees een marceneiro. Als beginner stond hij op een feest op om te zingen. De presentator vroeg naar zijn naam en zijn vak, vergat zijn achternaam en kondigde hem aan als Alfredo Marceneiro. De naam bleef hangen.

Hij maakte melodieën die nog altijd worden gezongen, maar zei zelf dat hij nooit iets had gecomponeerd. Hij zong alleen wat hij had gehoord: zijn moeder thuis, en de straatverkopers van Lissabon die hun waren uitriepen. Een van zijn Fado’s is ontstaan uit de roep van een loterijverkoper.

Alfredo Marceneiro, de grote Fadozanger van Lissabon, op een oude persfoto: krijtstreeppak, donkere bril, pratend, met beide handen open voor zich
Alfredo Marceneiro

Amália Rodrigues

Amália Rodrigues staat bekend als de Koningin van de Fado. In 1939, toen ze negentien was, klopte ze aan bij een Fadohuis in Lissabon, de Retiro da Severa, en vroeg om een auditie. De gitarist die naar haar luisterde, was Armandinho, en hij zou gezegd hebben dat ze de grootste Fadozangeres aller tijden zou worden.

Zelf heeft ze dat nooit helemaal geloofd. Ze zei dat ze bij toeval was gaan zingen en niet zeker wist of ze wel een artiest was. Een rijke dame bood haar eens een fortuin om op een feest te zingen, op voorwaarde dat ze uit de buurt van de gasten bleef. Amália antwoordde dat ze het zonder de gasten voor een kwart van de prijs zou doen.

Amália Rodrigues, de koningin van de Fado, op een zwart-wit studioportret uit Lissabon, die over haar schouder in de camera kijkt
Amália Rodrigues

Fernando Maurício

Fernando Maurício werd de Koning van de Fado genoemd, een titel die hij kreeg van het Lissabon van de oude wijken. Hij kwam uit de Mouraria en had weinig ambitie: hij zong liever voor zijn vrienden uit de buurt dan dat hij carrière maakte. In de sportclub van de wijk hangt zijn foto in elke zaal, als een beeld op een altaar waar alleen de kaars nog ontbreekt.

Zoveel zangers deden hem na, tot in de adempauzes midden in een vers, dat hij grapte dat hij zelf niet meer hoefde te zingen: de anderen deden het al voor hem. Aan het eind van zijn leven wachtte hij tot ze alles van hem hadden gezongen, vroeg de gitaristen dan om de Fado Corrido, een van de oudste melodieën, en improviseerde ter plekke nieuwe kwatrijnen.

Fernando Maurício, Fadozanger uit de Mouraria in Lissabon, en profil met snor, op een verweerd zwart-wit portret
Fernando Maurício
Twee gitaristen tegenover elkaar, de een met de Portugese, de ander met de klassieke gitaar, kijken elkaar aan tijdens een Fadoconcert in onze zaal bij de Sé, LissabonFadozangeres in een zwarte glitterjurk, lachend naast de vergulde lijst op de wijnrode muur van onze zaal in de Baixa, Lissabon

Stijlen in de Fado

Niet alles wat een Fadozanger zingt, is Fado. Amália bracht een gemengd programma: Fado, maar ook marchas, folklore en Spaanse en Braziliaanse liedjes. Buitenlanders hielden het allemaal voor Fado, vertelde ze, omdat ze als Fadozangeres werd aangekondigd.

De Fado zelf kent twee grote families. De traditionele Fado heeft geen refrein: de zanger kiest het gedicht, niemand speelt van blad, en elke uitvoering ontstaat ter plekke, een beetje zoals bij een jamsessie. De Fado canção mengt de Fado met andere muziek, heeft een refrein, en tekst en muziek horen bij één titel. Bijna alle hits van de Fado horen daarbij.

Dan zijn er twee stijlen die bijna elke Fadozanger in zijn programma opneemt en die geen Fado zijn: de marchas, uit de volkstraditie van Lissabon, en de folklore, de muziek van de Portugese streken. Ze zijn vrolijk, het publiek klapt mee en zingt de refreinen. Wie zegt dat hij van ‘vrolijke Fado’ houdt, bedoelt vaak deze twee.

Midden in een Fado zingt een zangeres met gesloten ogen en verstrengelde handen, voor de vergulde lijst in onze zaal in de Baixa, Lissabon

Traditionele Fado

De traditionele Fado werkt anders dan een gewoon lied. Elke melodie heeft een eigen naam, en je kunt er elk gedicht op zingen waarvan de verzen in het ritme passen.

Neem de Fado Vitória, van Joaquim Campos, die bij de spoorwegen werkte en in zijn vrije uren zong. Op een plaat uit 1929 gaan de woorden over een nachtegaal in Coimbra. Op een andere tekst werd het Igreja de Santo Estêvão, over een kerk in de Alfama. En op een gedicht van Pedro Homem de Mello werd het Povo que lavas no rio, dat Amália zo bekend maakte dat iedereen in Portugal het uit het hoofd kan meezingen.

De Fado Menor is opgenomen door Amália, door Marceneiro en door Maria Teresa de Noronha, telkens op een andere tekst. Het gaat zo: de zanger draait zich naar de gitaristen, vraagt om de Fado Mouraria in D en begint. Zij hoeven het gedicht niet te kennen. Al zong hij er een kinderliedje op, het bleef de Fado Mouraria. Zo werkt het alleen in de traditionele Fado.

Zangeres in een zwarte blazer zingt met gesloten ogen en één hand naar voren, tijdens een Fadoconcert in de Baixa, Lissabon

Melodieën uit de traditionele Fado

Hieronder vind je er vier om te leren kennen; een ervan is van Marceneiro.

De Fado van Coimbra

Coimbra, de oude universiteitsstad, heeft een eigen Fado, die los staat van alles wat je hierboven las. Hij ontstond onder studenten: mannen in zwarte capes die laat op de avond buiten zingen, op een stenen trap of een plein, tegenover de oude kathedraal.

De gitaar van Coimbra is een toon lager gestemd dan die van Lissabon en klinkt donkerder. De liederen gaan over de studiejaren en over de rivier onder de stad. Na een serenade applaudisseert volgens de traditie niemand. En wie hem het best kent, noemt hem niet eens Fado, maar Canção de Coimbra, het lied van Coimbra.

Fado live horen

Fadozangers hebben het over de Fado die gebeurt. Ricardo Ribeiro, een van de grote stemmen van nu, zegt dat daarvoor vijf dingen samen moeten komen: het publiek, de zanger, de dichter, de muzikanten en de wijn, waarmee hij de sfeer in de zaal bedoelt.

Dat gold zelfs in de studio. Als Amália een plaat opnam, haalde de producer vrienden erbij, met pastéis de bacalhau en tomatenrijst, en om middernacht begonnen ze. Fadozangers zeggen dat je bij een publiek dat gekomen is om geraakt te worden, om te huilen of te lachen, alleen je mond open hoeft te doen: bij het tweede kwatrijn is iedereen samen op dezelfde plek.

Elke dag wachten in onze twee zalen in Lissabon de Fadozangers, de gitaren, de gedichten en een glas wijn op je. Maar wat de Fado laat gebeuren, zijn de mensen die komen luisteren. Wil jij een van hen zijn?

Een zangeres staat met gevouwen handen voor de vergulde lijst en kijkt in de camera, in onze Fadozaal in de Baixa, Lissabon
Fado & Fado gaat zorgvuldig om met je privacy.Lees ons privacybeleid