Waar het woord Fado vandaan komt
Het woord komt van het Latijnse fatum, het lot. In het Portugees betekent het nog altijd wat het leven voor ieder van ons in petto heeft.
Toch was Fado eerst de naam van een dans, en pas later van een lied. In de jaren 1820 beschreven reizigers in Rio de Janeiro een dans die Fado heette, met vier tot zestien dansers. Maar de Fado van Lissabon wordt gezongen, en niemand danst erop.

Hoe de Fado ter wereld kwam
Als lied duikt de Fado op in het Lissabon van de jaren 1830, in de tavernes en goedkope eethuizen bij de dokken. Hoe hij daar terechtkwam, weet niemand precies. Er is zelfs een lied waarin de Fado zelf vertelt dat hij zijn ouders nooit heeft gekend en geen geboorteakte heeft. Er doen twee verhalen de ronde.
Het eerste begint in Brazilië, waar de lundum klonk, een Afro-Braziliaanse dans, en de modinha, een sentimenteel lied. In 1807 vluchtte het Portugese hof voor Napoleon naar Brazilië. Toen het in 1821 terugkeerde, nam het die muziek mee uit de salons en van de straat, en met het hof kwamen ook de matrozen en soldaten van de overtocht. In de arme wijken van Lissabon, zo gaat het verhaal, groeide ze uit tot iets nieuws.
Het tweede verhaal speelt in Portugal zelf. Met de industriële revolutie trokken mensen van het platteland naar de steden. Uit de Alentejo, de Beiras en Trás-os-Montes kwamen ze naar Lissabon, en ze namen de liederen van hun streek mee. In deze versie ontstond de Fado toen al die liederen elkaar tegenkwamen in dezelfde paar straten.

De eerste podia en de eerste Fadozangeres
In de eerste decennia verkocht niemand kaartjes voor de Fado. Zijn podia waren de straat, de taverne en de stierenarena, in de beruchte buurten van Lissabon, waar fatsoenlijke mensen met een boog omheen liepen.
In dat Lissabon leefde Maria Severa, een prostituee uit de Mouraria over wier stem in de stad werd gepraat. Haar minnaar was de graaf van Vimioso. Op een avond in 1840 nam hij vrienden die net uit de opera kwamen mee naar huis, en daar zong de Severa voor hen.
Voor velen van hen was het de eerste Fado van hun leven. De Severa stierf in 1846 aan tuberculose, zesentwintig jaar oud. In de Fado leeft ze voort als de eerste Fadozangeres, en sindsdien wordt er over haar gezongen.
Chorai, fadistas, choraiQue a Severa já morreuFadistas como a SeveraNunca o Fado conheceuWeen, Fadozangers, ween:de Severa is gestorven.Fadozangers als de Severaheeft de Fado nooit gekend.

Theater, radio en het Fadohuis
Het verhaal van de Severa kwam op het toneel, en de Fado ging mee. Daarna volgden de radio en de grammofoonplaat, en zo kwam de Fado bij de mensen thuis. In de jaren twintig zongen betaalde zangers in cafés, in danszalen en in de pauzes in het theater.
In 1926 bracht een militaire staatsgreep een dictatuur aan de macht. Een jaar later kwam er een wet die alle podia van het land aan regels bond. Elke tekst moest vóór het zingen naar de censor, die hem goedkeurde of met blauw potlood doorstreepte, en aan geïmproviseerde verzen kwam een eind. Dezelfde wet maakte een beroepskaart verplicht, en zo werd de Fado in elk geval een vak.
In diezelfde jaren ontstond het Fadohuis, de casa de Fado: een restaurant dat voor de Fado was ingericht, met eigen zangers. Wie aan de beurt was, stond op, zong drie of vier Fado’s en ging weer zitten, terwijl aan de tafels werd opgediend. Er kwamen ook dichters, zoals João Linhares Barbosa, die zijn teksten op de papieren tafelkleedjes schreef terwijl er gezongen werd.

De instrumenten van de Fado
Op de meeste Fadoconcerten hoor je twee instrumenten, en ze spelen allebei voor wie er zingt.
De klassieke gitaar houdt het ritme, de baslijn en de harmonie vast. Zo legt ze het fundament waarop de Fadozanger en de gitarist iets eigens kunnen maken.
De Portugese gitaar is peervormig en heeft twaalf stalen snaren. Ze speelt de melodische intro’s en gaat het gesprek aan met wie zingt: aan het eind van een vers laat de zanger even ruimte, en de gitaar vult die met een eigen frase. Soms ondersteunt ze ook de harmonie en het ritme.

Wat een goede Fadozanger doet
Een Fadomelodie is kort en komt bij elk kwatrijn terug. Zing je haar steeds precies hetzelfde, dan is ze bij het derde kwatrijn versleten. Een goede Fadozanger verandert de melodie dus terwijl hij zingt, ten dienste van de woorden. Dat heet estilar: de melodie een eigen vorm geven. Van wie dat goed kan, zeggen kenners dat hij estila, en dat is een groot compliment.
Bij geen melodie is dat moeilijker dan bij de Fado Menor. Hij heeft maar twee akkoorden, en een zanger kan zich nergens achter verschuilen. In 1959 hield Café Luso, een Fadohuis in Lissabon, een wedstrijd om de titel Koning van de Fado Menor. António Rocha won, en zo heet hij nog altijd.

Alfredo Marceneiro
Wie dat het verst doorvoerde, was Alfredo Marceneiro. Hij noemde zichzelf een estilista, en niets meer dan dat. Eigenlijk heette hij Alfredo Duarte, en hij was meubelmaker van beroep, in het Portugees een marceneiro. Als beginner stond hij op een feest op om te zingen. De presentator vroeg naar zijn naam en zijn vak, vergat zijn achternaam en kondigde hem aan als Alfredo Marceneiro. De naam bleef hangen.
Hij maakte melodieën die nog altijd worden gezongen, maar zei zelf dat hij nooit iets had gecomponeerd. Hij zong alleen wat hij had gehoord: zijn moeder thuis, en de straatverkopers van Lissabon die hun waren uitriepen. Een van zijn Fado’s is ontstaan uit de roep van een loterijverkoper.

Amália Rodrigues
Amália Rodrigues staat bekend als de Koningin van de Fado. In 1939, toen ze negentien was, klopte ze aan bij een Fadohuis in Lissabon, de Retiro da Severa, en vroeg om een auditie. De gitarist die naar haar luisterde, was Armandinho, en hij zou gezegd hebben dat ze de grootste Fadozangeres aller tijden zou worden.
Zelf heeft ze dat nooit helemaal geloofd. Ze zei dat ze bij toeval was gaan zingen en niet zeker wist of ze wel een artiest was. Een rijke dame bood haar eens een fortuin om op een feest te zingen, op voorwaarde dat ze uit de buurt van de gasten bleef. Amália antwoordde dat ze het zonder de gasten voor een kwart van de prijs zou doen.

Fernando Maurício
Fernando Maurício werd de Koning van de Fado genoemd, een titel die hij kreeg van het Lissabon van de oude wijken. Hij kwam uit de Mouraria en had weinig ambitie: hij zong liever voor zijn vrienden uit de buurt dan dat hij carrière maakte. In de sportclub van de wijk hangt zijn foto in elke zaal, als een beeld op een altaar waar alleen de kaars nog ontbreekt.
Zoveel zangers deden hem na, tot in de adempauzes midden in een vers, dat hij grapte dat hij zelf niet meer hoefde te zingen: de anderen deden het al voor hem. Aan het eind van zijn leven wachtte hij tot ze alles van hem hadden gezongen, vroeg de gitaristen dan om de Fado Corrido, een van de oudste melodieën, en improviseerde ter plekke nieuwe kwatrijnen.



Stijlen in de Fado
Niet alles wat een Fadozanger zingt, is Fado. Amália bracht een gemengd programma: Fado, maar ook marchas, folklore en Spaanse en Braziliaanse liedjes. Buitenlanders hielden het allemaal voor Fado, vertelde ze, omdat ze als Fadozangeres werd aangekondigd.
De Fado zelf kent twee grote families. De traditionele Fado heeft geen refrein: de zanger kiest het gedicht, niemand speelt van blad, en elke uitvoering ontstaat ter plekke, een beetje zoals bij een jamsessie. De Fado canção mengt de Fado met andere muziek, heeft een refrein, en tekst en muziek horen bij één titel. Bijna alle hits van de Fado horen daarbij.
Dan zijn er twee stijlen die bijna elke Fadozanger in zijn programma opneemt en die geen Fado zijn: de marchas, uit de volkstraditie van Lissabon, en de folklore, de muziek van de Portugese streken. Ze zijn vrolijk, het publiek klapt mee en zingt de refreinen. Wie zegt dat hij van ‘vrolijke Fado’ houdt, bedoelt vaak deze twee.

Traditionele Fado
De traditionele Fado werkt anders dan een gewoon lied. Elke melodie heeft een eigen naam, en je kunt er elk gedicht op zingen waarvan de verzen in het ritme passen.
Neem de Fado Vitória, van Joaquim Campos, die bij de spoorwegen werkte en in zijn vrije uren zong. Op een plaat uit 1929 gaan de woorden over een nachtegaal in Coimbra. Op een andere tekst werd het Igreja de Santo Estêvão, over een kerk in de Alfama. En op een gedicht van Pedro Homem de Mello werd het Povo que lavas no rio, dat Amália zo bekend maakte dat iedereen in Portugal het uit het hoofd kan meezingen.
De Fado Menor is opgenomen door Amália, door Marceneiro en door Maria Teresa de Noronha, telkens op een andere tekst. Het gaat zo: de zanger draait zich naar de gitaristen, vraagt om de Fado Mouraria in D en begint. Zij hoeven het gedicht niet te kennen. Al zong hij er een kinderliedje op, het bleef de Fado Mouraria. Zo werkt het alleen in de traditionele Fado.

Melodieën uit de traditionele Fado
Hieronder vind je er vier om te leren kennen; een ervan is van Marceneiro.
Fado Corrido
De naam komt van correr, hier in de zin van een verhaal in één adem vertellen. Het is de melodie voor een geschiedenis van begin tot eind.
Fado Menor
Hij is traag en staat in mineur. Hij wordt wel de koningin van de melodieën genoemd, en volgens Amália was hij vader en moeder van alle andere Fado’s.
Fado Vianinha
Genoemd naar Francisco Viana, die klein van stuk zou zijn geweest: Vianinha betekent ‘kleine Viana’. Hij heeft nooit een plaat opgenomen, en toch wordt zijn melodie elke dag gezongen.
Fado Bailado
De melodie is van Marceneiro. Amália schreef er eigen woorden op, Estranha forma de vida, maar schaamde zich om ze te ondertekenen, en haar zwager liet het gedicht op zijn naam registreren.
De Fado van Coimbra
Coimbra, de oude universiteitsstad, heeft een eigen Fado, die los staat van alles wat je hierboven las. Hij ontstond onder studenten: mannen in zwarte capes die laat op de avond buiten zingen, op een stenen trap of een plein, tegenover de oude kathedraal.
De gitaar van Coimbra is een toon lager gestemd dan die van Lissabon en klinkt donkerder. De liederen gaan over de studiejaren en over de rivier onder de stad. Na een serenade applaudisseert volgens de traditie niemand. En wie hem het best kent, noemt hem niet eens Fado, maar Canção de Coimbra, het lied van Coimbra.
Fado live horen
Fadozangers hebben het over de Fado die gebeurt. Ricardo Ribeiro, een van de grote stemmen van nu, zegt dat daarvoor vijf dingen samen moeten komen: het publiek, de zanger, de dichter, de muzikanten en de wijn, waarmee hij de sfeer in de zaal bedoelt.
Dat gold zelfs in de studio. Als Amália een plaat opnam, haalde de producer vrienden erbij, met pastéis de bacalhau en tomatenrijst, en om middernacht begonnen ze. Fadozangers zeggen dat je bij een publiek dat gekomen is om geraakt te worden, om te huilen of te lachen, alleen je mond open hoeft te doen: bij het tweede kwatrijn is iedereen samen op dezelfde plek.
Elke dag wachten in onze twee zalen in Lissabon de Fadozangers, de gitaren, de gedichten en een glas wijn op je. Maar wat de Fado laat gebeuren, zijn de mensen die komen luisteren. Wil jij een van hen zijn?












